Archive for the ‘Troeteldieren’ Category

Dimitri Verhulst maakt zich bezorgd…

zondag, maart 7th, 2010

Dimitri Verhulst

I am fond of pigs. Dogs look up to us. Cats look down to us. Pigs treat us as iguals

W. Churchill

Dimitri Verhulst maakt zich bezorgd om het seksuele leven van het zwijn. Dimitri betreurt dat deze beestjes nooit aan hun gerief zullen komen. Het zal zijn balletjes nooit zo kunnen gebruiken zoals hij. Met zes maanden gaat het big er aan. En als ie het wel redt zal hij alleen worden afgetrokken door een werknemer in blauwe overall. Dimitri vindt dat maar niks.

Daar zullen de biggen blij mee zijn! Eindelijk iemand die denkt aan hún gerief. De seksuele revolutie krijgt een vervolg in de dierenwereld. Zij geldt van nu af aan niet alleen voor ónze ballen, maar ook het varken moet er aan geloven. Een vraag die zich dan opdringt: Komen de zeugjes wel echt klaar? Waar zit hun G-Spot? Een netelige kwestie voor Varkens in Nood.

Bij al dat gedoe over castratie van biggen had ik sterk het gevoel dat de bezorgdheid eerder de eigen knikkers dan die van dat biggetje betrof. Te veel drukte om een kleine ingreep. Ikzelf was ooit aanwezig bij een castratie van mijn biggetjes.

Onze zeug had vier beertjes geworpen. Omdat het mestvarkentjes zouden worden, moesten zij gecastreerd. Daar wist de buurman wel raad mee, hij zou die en die dag even langs komen en ik moest zorgen dat de olijfolie en de waterstofperoxide klaarstonden. De buurman kwam en om de beurt verloren alle varkentjes hun mannelijkheid. Hij nam ze tussen zijn benen met de kop naar beneden, sneed ze een jaap tussen hun poten, griste de ballen weg en gooide ze met een flinke zwaai over zijn rug waar de honden ze kunstig opvingen. Een straaltje waterstofperoxide in de wond, een flinke scheut olijfolie, een klap met de vlakke hand erop en wegwezen jij. Elk varkentje gilde op één na. Die bleek een zakbreuk te hebben en dat ging de buurman te ver. ‘Voor die moet je naar de veearts.’

Mij bekruipt ook bij het lezen van het verhaal van Dimitri Verhulst het gevoel dat de bezorgdheid eerder de eigen knikkers dan die van dat biggetje betreft. Dimitri haalt bovendien andere stinkende wonden open. In beeldende taal beschrijft hij hoe de Belgische teelballen geofferd worden aan de Germaanse Übermensch

En aangezien een serieuze hoeveelheid van onze varkensstapel in een Duitse schnitzel of een Germaanse worstenkraam belandt, betekent dit dat de klokken van onze Belgische varkens niks te tingeltangelen hebben en luttele dagen na de geboorte in een emmer ploffen. Aandoenlijk is dat, zo’n aker vol slijmerige, nog warme en dampende teelballen.

Ik weet niet hoe dat de Belgen vergaat, maar in Nederland werkt elke verwijzing naar ‘Das Dritte Reich’ over welke onbenulligheid dan ook als de ultieme annotatie van ‘misdaad tegen de mensheid’ èn het bewijs daarvan. Belse ballen tegenover Germaanse vraatzucht. Gaat het hier echt wel over varkens?

Het is leed, volkomen zinloos leed.

Onlangs zag ik mijn poes een kleine rat pakken. Samen met de kleinkinderen keek ik naar het tafereel. De poes had de rat beet met haar poot op zijn staart en de rat hield zich dood in de vergeefse hoop dat dat rotbeest hem met rust zou laten. Af en toe liet ze hem even los om hem daarna weer snel te pakken, lanceerde hem in de lucht en ving hem dan weer op. De notie: geen onnodig leed is niet van de poes. Mijn kleinkinderen vonden het erg zielig maar ik was op de hand van Janis en tegen de rat

Wij houden varkens om op te eten, niet voor de sex. Daar hebben wij andere kanalen voor. Van alle dieren die ik heb, vind ik naast het muildier de varkens ongetwijfeld de leuksten. Als ik ze laat lopen op het land barsten ze los in een aanstekelijke vrolijkheid. Ze rennen eerst een paar rondjes. Komen nog even langs bij mij en maken dan dat varkensgeluid, niet knorren maar meer ‘Huh’. Het geluid dat ze ook maken als ze schrikken. Maar nu lijkt het op ‘leuk, hé’. Ze rennen weer weg en gaan ergens met hun neus de grond openhalen. Af en toe wandelen ze naar de stal om te kijken of er al eten in hun trog ligt. Of om achterin een plas te doen. Komen dan weer even ‘Huh’ bij mij zeggen en gaan weer wroeten. Heb je bij honden het gevoel dat ze voortdurend bij je langskomen om hun gedienstigheid te tonen en bij katten dat ze er net in slagen te accepteren dat jij hier ook woont, bij varkens ben ik ‘Huh, het eten’ in een hartverwarmende vanzelfsprekendheid. Varkens treden je zonder omwegen tegemoet. Ze winden er geen doekjes om. ‘Huh, het eten.’ Als ik dan uiteindelijk met ze naar de slachttafel loop, denken ze vast: ‘Huh, gaan we weer smullen?’

In Nederland en niet alleen daar, zijn heel wat beesten verdwenen uit het openbare leven. Onherkenbaar en stil liggen ze in de supermarkt verpakt in cellofaan. Niet gerangschikt naar aardigheid maar naar prijs, of vetgehalte. Hoe dat daar allemaal terechtkomt, is verdwenen uit het directe bewustzijn. De dieren die overblijven, worden het sociale leven binnen getrokken waar ze in toenemende mate de plek van personen innemen. Die ze absoluut niet zijn! Honden en katten draaien mee in het huishouden. Er wordt een gelijkheid en wederkerigheid verondersteld die niet bestaat. Soms strookt dat niet met de aard van het beestje. Meer nog dan kinderen, moet een hond zijn plaats weten. In tegenstelling tot kinderen heeft hij geen uitzicht op een verandering van die situatie. Een hond die zijn plaats niet weet, introduceert in een gezin de omgangsvormen van de roedel. Het recht van de sterkste. Een hond heeft een baasje om heel andere reden dan het baasje een hond heeft.

De nog zichtbare dieren staan aan de wieg van de veranderende omgangsvormen. Die wij niet zien, doen daar niet aan mee. Zij worden door de industriële productie opgeslokt. Een paar jaar geleden die hopen dode varkens op TV. Verweesd staren mensen die in staat zijn een uitvaartmis te houden voor hun Flapje naar wat er gebeurt in de bio-industrie. Een grotere tegenstelling is niet mogelijk. Het roept afschuw op. En meer nog de idee dat we er zelf medeschuldig aan zijn. Wij zijn immers de consumenten van het daar geproduceerde vlees. Daar doe ik mooi niet aan mee!

Mijn vierjarig zoontje zei destijds: Ik eet geen vlees want het varken vindt het niet leuk geslacht te worden. Daar had hij onmiskenbaar gelijk. We hadden allemaal het varken horen gillen. Toen hij meende dat worst niet van het varken kwam (bij het worsten draaien was-ie op school) hebben we hem in die waan gelaten. Blij dat hij weer vlees at. Toen hij aan tafel beweerde dat ham ook niet van het varken kwam, hoefde ik alleen maar het hoefje te laten zien en dat was het einde van zijn vegetarische episode.

Wij houden varkens om op te eten. Zouden wij ze niet lusten, dan zouden wij geen varkens houden. Elk jaar koop ik in het vroege voorjaar twee biggen. Ik mest ze dan met ons eetafval, rauwe erwten en het valfruit van de bomen vet. We slachten ze in de winter. Zo’n negen maanden lang voer ik de varkens. Ik weid ze op ons land. En koester ze tot op de dag dat de buren en de slachter komen en we het beest veranderen in vlees. Zelfs dan blijf ik ze koesteren. Ik weet niet hoe oud een varken zou kunnen worden zonder slacht. Die twaalf jaar lijkt me best mogelijk. Maar waarom zou ik dat uitproberen? Ooit slachtten wij een zeug van twee jaar. Het vlees was smakelijk maar helaas moeilijk door te komen.

Onze beertjes zijn gecastreerd. Bij zeugjes is dat niet nodig. Het vlees van een geslachtsrijp beertje stinkt. Dat is niet alleen bij varkens het geval, maar bijvoorbeeld ook bij bokken en rammen. Houd je dergelijke beesten voor het vlees is het dus zaak ze tijdig om het leven te brengen of ze vooraf te castreren. Een big van een half jaar is bij ons nog niet voldragen. Geslachtsrijp is het zeker nog niet. Het is goed mogelijk dat de beertjes op die leeftijd nog niet stinken. Mals zal hij wel zijn, maar veel smaak zal hij nog niet hebben. Als wij ons varken zo vroeg zouden slachten zou het ook nog maar een schriel ding zijn. Dat komt vermoedelijk doordat zijn eten niet high tech gestuurd wordt.

Vlees moet steeds maar goedkoper geproduceerd. De winstmarge is het probleem. Dat gaat ten koste van de smaak. Het welzijn van een dier zou een grotere rol moeten spelen. Tevredenheid is de beste smaakmaker. Een varken van een half jaar is als een meisje van 16, wel mooi, maar wat stelt het nou eigenlijk voor? Doorleefd is beter. Levenservaring is het zout der aarde. Mals, maar toch pittig: een jaar. De G-Spot van een varken ligt ergens rond een jaar.

We houden varkens om op te eten en als we ze niet hadden gelust dan waren ze er niet geweest. Natuurlijk gedraagt een mens zich anders met een gezelschapsdier dan met een slachtdier. Je pleegt je knuffeltje niet te slachten. Met beesten die je houdt voor vlees is het andere koek. Dan heb je andere gevoelens. Dat heeft alles met gevoel, maar met rechten niets uit te staan. Als je ze allebei hebt, dieren voor vlees en dieren voor gezelschap, dan houdt zich dat wel in evenwicht. Hoe reageren mensen die alleen dieren tegenkomen als gezelschapsdier als ze toevallig stoten op een slachtdier? Hoe reageert een klein kind als hij voor het eerst een leeuw ziet?

Discussies over dieren zijn discussies tussen mensen. Geen dier doet er aan mee. Het uiteindelijk belang van zo’n discussie is ook niet per se alleen het welzijn van dieren, maar het voortbestaan onze soort: de verdediging van onze habitat, de aarde. En soms krijg je de indruk dat men dat vergeet. Meer drukte om een dode gorilla dan over vijf miljoen dode mensen in de Congo.

Ik woon op het Spaanse platteland in de bergen. En zoals op alle plattelanden wordt daar anders tegen dieren aangekeken dan in de stad. De boeren veronderstellen hier dat er in het verleden ooit een oorlog was tussen dier en mens. En de mens heeft gewonnen. Maar dat wil absoluut niet zeggen dat dat niet omkeerbaar is. Naast de vos loert je eigen hond ook op de kippen. Een zeker wantrouwen is op zijn plaats.

Vorig jaar kreeg Varkens in Nood de steun van Yvonne Krooneburg met haar snoezige knorretjes. Dit jaar krijgen we de krachtige taal met en over kloten van Dimitri op ons bordje. Gecastreerd is hij niet. Dat hoeft ook niet. We eten hem niet op. We lezen hem… en met veel plezier

Berend Vroom, schrijver van ‘Fadoek, Willie, Bep en andere dierenverhalen uit Andalusië’, uitgeverij Parterre

vleselijke liefde

donderdag, augustus 27th, 2009

geen varken

geen varken

I´m fond of pigs. Dogs look up to us. Cats look down to us. Pigs treat us as equals. W.Churchill

Vergeet de mens in je hondje

Van alle beesten die ik heb, vind ik naast het muildier de varkens ongetwijfeld de leuksten. Als ik de varkens loslaat op het land barsten ze los in een aanstekelijke vrolijkheid. Ze rennen eerst een paar rondjes. Komen nog even langs bij mij en maken dan dat varkensgeluid, niet knorren maar meer Huh. Het geluid dat ze ook maken als ze schrikken. Maar nu lijkt het meer op leuk, hé. Ze rennen weer weg en gaan ergens met hun neus de grond openhalen. Af en toe wandelen ze naar de stal om te kijken of er al eten in hun trog ligt. Of om een plas te doen achter in de stal. Komen dan weer even Huh bij mij zeggen en gaan weer wroeten.

Heb je bij honden het gevoel dat ze voortdurend bij je langskomen om hun gedienstigheid te tonen en bij katten dat ze er net in slagen te accepteren dat jij hier ook woont, bij varkens ben ik Huh, het eten in een hartverwarmende vanzelfsprekendheid. Varkens treden je zonder omwegen tegemoet. Ze winden er geen doekjes om. Huh, het eten. Als ik dan uiteindelijk met ze naar de slachttafel loop, denken ze vast: Huh, gaan we weer smullen?

Sinds wij in 1985 naar Spanje vertrokken en daar een boerderij kochten, trekken we elk jaar twee varkens groot om ze in de winter te slachten. Zon negen maanden lang voer ik de varkens. Ik weid ze op ons land. En koester ze tot op de dag dat de buren en de slachter komen en we het beest veranderen in vlees. Zelfs dan blijf ik ze koesteren.

In Nederland en niet alleen daar, zijn heel wat beesten verdwenen uit het openbare leven. Onherkenbaar en stil liggen ze in de supermarkt verpakt in cellofaan. Niet gerangschikt naar aardigheid maar naar prijs, of vetgehalte. Hoe dat daar allemaal terechtkomt, is verdwenen uit het directe bewustzijn. De dieren die overblijven, worden het sociale leven binnen getrokken waar ze in toenemende mate de plek van personen innemen. Die ze absoluut niet zijn! Honden en katten draaien mee in het huishouden. Er wordt een gelijkheid en wederkerigheid verondersteld die niet bestaat. Soms strookt dat niet met de aard van het beestje. Meer nog dan kinderen, moet een hond zijn plaats weten. In tegenstelling tot kinderen heeft hij geen uitzicht op een verandering van die situatie. Een hond die zijn plaats niet weet, introduceert in een gezin de omgangsvormen van de roedel. Het recht van de sterkste. Een hond heeft een baasje om heel andere reden dan het baasje een hond heeft.

In een filmpje op Youtube, op het kanaal van Varkens in Nood presenteert Yvonne Kroonenberg haar boek Alleen de knor wordt niet gebruikt. We zien in dat filmpje Yvonne knus bij die varkentjes zitten, gezellig op de thee. Ze zal daarna zich wel even gedoucht hebben, anders kon iedereen wel ruiken met wat voor een boek ze nu bezig was. Ik wel heb genoten van de video, van alle mooie varkens. Ik was erg verrukt van dat varken met krulletjes, maar mijn vrouw zei: Dat moet je bij de slacht er allemaal vanaf branden!  Yvonne vertelt dat ze niet sentimenteel wil zijn maar barst in tranen uit bij het betreden van een slachthuis. Het spijt me, maar dat werkt bij mij op de lachspieren. Hoe stelt zij zich het eind van een biologisch varken voor? Slachten is hoe dan ook een daad van agressie.

Mijn vierjarig zoontje zei destijds: Ik eet geen vlees want het varken vindt het niet leuk geslacht te worden. Daar had hij onmiskenbaar gelijk. We hadden allemaal het varken horen gillen. Toen hij meende dat worst niet van het varken kwam  bij het worsten draaien was-ie op school  hebben we hem in die waan gelaten. Blij dat hij weer vlees at. Toen hij aan tafel beweerde dat ham ook niet van het varken kwam, hoefde ik alleen maar het hoefje te laten zien en dat was het einde van zijn vegetarische episode.

De tranen van Yvonne Kroonenberg werken naast op mijn lachspieren ook op mijn grijze cellen. Bij haar is klaarblijkelijk sentimentaliteit de basis voor wat ze doet met een dier en wat niet. Alsof het mes op háár keel gezet wordt. Natuurlijk gedraagt een mens zich anders met een gezelschapsdier dan met een slachtdier. Je pleegt je knuffeltje niet te slachten. Met beesten die je houdt voor vlees is het andere koek. Dan heb je andere gevoelens. Dat heeft alles met gevoel, maar met rechten niets uit te staan. Als je ze allebei hebt, dieren voor vlees en dieren voor gezelschap, dan houdt zich dat wel in evenwicht. Hoe reageren mensen die alleen dieren tegenkomen als gezelschapsdier als ze toevallig stoten op een slachtdier? Hoe reageert een klein kind als hij voor het eerst een leeuw ziet?

De menswording van het beest wordt zo reëel beleeft dat er zelfs de ethiek op wordt losgelaten. In het geharrewar over al dan niet castreren van jonge biggen, liet een medewerkster van het blaadje Meat and Meal op 1 november 2008 (van onverdachte carnivore zijde) zich ontvallen, dat ze haar zoon ook niet zou castreren omdat hij als puber last heeft van zweetvoeten en dat díe stinken. Iemand kan alleen zon opmerking maken  in mijn ogen barbaars  als-ie van zon gelijkheid van mens en dier uitgaat dat je op die verhouding het categorisch imperatief kan loslaten. En dat is van de gekke. De kans dat er op een dag aan mijn deur een varken komt om mijn kroost al dan niet pijnloos te castreren is nihil. Er is geen sprake van gelijkheid en ook niet van wederkerigheid. Dieren zijn geen mensen.

De nog zichtbare dieren staan aan de wieg van de veranderende omgangsvormen. Die wij niet zien, doen daar niet aan mee. Zij worden door de industriële productie opgeslokt. Een paar jaar geleden die hopen dode varkens op TV. Verweesd staren mensen die in staat zijn een uitvaartmis te houden voor hun Flapje naar wat er gebeurt in de bio-industrie. Een grotere tegenstelling is niet mogelijk.

Het roept afschuw op. En meer nog de idee dat we er zelf medeschuldig aan zijn. Wij zijn immers de consumenten van het daar geproduceerde vlees. Daar doe ik mooi niet aan mee!

Vegetarisme dringt zich op als oplossing, tot de roeping om dieren die door de bio-industrie worden gegijzeld, te gaan bevrijden. Er zijn ook mensen die zich opwerpen als de stem van de dieren en daarbij gemakshalve vergeten dat als je je uitroept tot vertegenwoordiging van iets of iemand je daartoe op zijn minst een geldig mandaat voor nodig hebt. En mandaten worden gegeven en niet genomen. Deze mensen vervangen niet alleen geweld door betutteling (in het beste geval), maar verschaffen zich zo in de discussie over de bio-industrie een rol van orakel: zij hebben zichzelf het mandaat gegeven om de dieren te vertegenwoordigen. In de plaats van een open discussie tussen mensen over hoe de vleesindustrie het beste aangepast zou kunnen worden aan de veranderende inzichten over een dierenleven, komt stelligheid ontleend aan een mystieke band met het dier die in extremo zelfs gewelddadige acties rechtvaardigt. Of zoals Amanda Kluveld zegt in een interview in De Groene Amsterdammer van 3 april 2009: Discussies over dieren zijn mensendiscussies. Geen dier doet er aan mee. Het uiteindelijk belang van zon discussie is ook niet per se alleen het welzijn van dieren, maar het voortbestaan onze soort: de verdediging van onze habitat, de aarde. En soms krijg je de indruk dat men dat vergeet. Meer drukte om een dode gorilla dan over vijf miljoen dode mensen in de Congo.

Ik woon op het Spaanse platteland in de bergen. En zoals op alle plattelanden wordt daar anders tegen dieren aangekeken dan in de stad. De boeren veronderstellen hier dat er in het verleden ooit een oorlog was tussen dier en mens. En de mens heeft gewonnen. Maar dat wil absoluut niet zeggen dat dat niet omkeerbaar is. Naast de vos loert je eigen hond ook op de kippen. Een zeker wantrouwen is op zijn plaats.

Onlangs zag ik mijn poes een kleine rat pakken. Samen met mijn kleinkinderen keek ik naar het tafereel. De poes had de rat beet met haar poot op zijn staart en de rat hield zich dood in de vergeefse hoop dat dat rotbeest hem met rust zou laten. Af en toe liet ze hem even los om hem daarna weer snel te pakken, lanceerde hem in de lucht en ving hem dan weer op. De notie: geen onnodig leed is niet van de poes. Mijn kleinkinderen vonden het erg zielig maar ik was op de hand van Janis en tegen de rat.

Ik kan echt iedereen aanraden zelf zijn vleesproductie ter hand te nemen. Achter in de tuin een hokje, en je bent meteen al je organisch afval kwijt. Dan hoeft die erge bio-industrie ook niet meer zo. s Avonds voor het slapen gaan even babbelen met het varken. En elk jaar feest.

Toch heb ik er alle begrip voor dat dit niet massaal gebeurt.

Het kostenplaatje speelt een rol. De resten van onze maaltijden zijn niet voldoende om de varkens naar behoren groot te trekken. Ik geef ze daarnaast ook ander voer. Een jaar mengde ik het met kikkererwten. Die waren wat duurder dan zemelen, maar daar stond tegenover dat ze eerder verzadigd waren. Toen de kikkererwten ineens dubbel zo duur werden, ben ik overgestapt op erwten.

Slachten is hoe dan ook een daad van agressie. Hoe dichter bij je huis des te lastiger is het van hen afscheid te nemen. Zeker als je daar zelf een grote rol in speelt, als slachtheer.

Varkens stinken. Er is een redelijke afstand tot het hok nodig om niet de hele tijd in een bedwelmende wolk van strontlucht te hoeven verkeren. De zwijnenstal bevindt zich ongeveer tachtig meter van ons huis en twee terrassen lager. Toch komt er af en toe bij warm weer en oostelijke wind een vleugje langs.

En ten slotte de varkensgriep. Zoals onlangs bleek uit berichten uit Mexico is de directe omgang met varkens niet zonder gevaar. Het directe contact tussen mens en varken werd ook gezien als een van de mogelijke oorzaken van de Spaanse griep.

Hoeveel plezier ik ook beleef aan mijn eigen productie van het vlees dat wij eten en hoe lekker ik het doorgaans ook vind (soms mislukt er ook wel eens wat), het is geen alternatief voor vleesproductie op grote schaal. Of grote delen van de bevolking zou het vlees eten ontzegd moeten worden. Ik vrees dat de bio-industrie niet meer weg te denken valt uit de maatschappij waarin wij leven. En het is de vraag of dat wel zo erg is. Ook de bio-industrie heeft haar merites. Ik denk dat mijn varkens en ik wat betreft hygiëne nog heel wat kunnen leren van de varkens van de bio-industrie. Niet huilen bij de slacht en industriële productie van vlees maar een discussie tussen consument en industrie waar de consument zich vragen zou moeten stellen over zijn identificatie van mens en dier en de industrie over haar gelijkstellen van dier en product.

Met andere woorden: Kijk eens meer naar je varkenslapje als het dier wat het was en vergeet de mens in je hondje

Pietje Piel

dinsdag, juni 16th, 2009

De Heer P. Piel te O.

De Heer P. Piel te O.

Wij wonen in een dal waarvan elke bezoeker denkt dat het ‘het einde van de wereld’ is. Uit de toeloop van honden van alle kanten bleek voor de zoveelste keer dat de wereld niet eindig maar rond was, ook hier. Het waren die mannetjes die ons deden beseffen dat er met Autosleuteltjes iets aan de hand moest zijn. Een wildvreemd klein hondje stond zelfs neukbewegingen makend voor onze tafel terwijl wij aan het eten waren. Alsof iemand voor ons kwam staan en zijn middenvinger omhoog stak. Zijn roze pik stootte tegen zijn borstkas, terwijl zijn rug zich ritmisch kromde en ontspande. ‘Jezus, wat heeft dat beestje een grote pik’, zei Fabian. Hij was zo klein als ie was inderdaad flink geschapen. We noemden hem Pietje Piel. ‘Ik wil niet dat we hem gaan houden’, waarschuwde Isabel, mijn vrouw, maar ze was al te laat. Dat moest ze beseffen. Een naam de deur wijzen. Dat is lastig.