Archive for the ‘Dingen die gebeuren’ Category

zaterdag, juli 31st, 2010

Dimitri Verhulst maakt zich bezorgd…

zondag, maart 7th, 2010

Dimitri Verhulst

I am fond of pigs. Dogs look up to us. Cats look down to us. Pigs treat us as iguals

W. Churchill

Dimitri Verhulst maakt zich bezorgd om het seksuele leven van het zwijn. Dimitri betreurt dat deze beestjes nooit aan hun gerief zullen komen. Het zal zijn balletjes nooit zo kunnen gebruiken zoals hij. Met zes maanden gaat het big er aan. En als ie het wel redt zal hij alleen worden afgetrokken door een werknemer in blauwe overall. Dimitri vindt dat maar niks.

Daar zullen de biggen blij mee zijn! Eindelijk iemand die denkt aan hún gerief. De seksuele revolutie krijgt een vervolg in de dierenwereld. Zij geldt van nu af aan niet alleen voor ónze ballen, maar ook het varken moet er aan geloven. Een vraag die zich dan opdringt: Komen de zeugjes wel echt klaar? Waar zit hun G-Spot? Een netelige kwestie voor Varkens in Nood.

Bij al dat gedoe over castratie van biggen had ik sterk het gevoel dat de bezorgdheid eerder de eigen knikkers dan die van dat biggetje betrof. Te veel drukte om een kleine ingreep. Ikzelf was ooit aanwezig bij een castratie van mijn biggetjes.

Onze zeug had vier beertjes geworpen. Omdat het mestvarkentjes zouden worden, moesten zij gecastreerd. Daar wist de buurman wel raad mee, hij zou die en die dag even langs komen en ik moest zorgen dat de olijfolie en de waterstofperoxide klaarstonden. De buurman kwam en om de beurt verloren alle varkentjes hun mannelijkheid. Hij nam ze tussen zijn benen met de kop naar beneden, sneed ze een jaap tussen hun poten, griste de ballen weg en gooide ze met een flinke zwaai over zijn rug waar de honden ze kunstig opvingen. Een straaltje waterstofperoxide in de wond, een flinke scheut olijfolie, een klap met de vlakke hand erop en wegwezen jij. Elk varkentje gilde op één na. Die bleek een zakbreuk te hebben en dat ging de buurman te ver. ‘Voor die moet je naar de veearts.’

Mij bekruipt ook bij het lezen van het verhaal van Dimitri Verhulst het gevoel dat de bezorgdheid eerder de eigen knikkers dan die van dat biggetje betreft. Dimitri haalt bovendien andere stinkende wonden open. In beeldende taal beschrijft hij hoe de Belgische teelballen geofferd worden aan de Germaanse Übermensch

En aangezien een serieuze hoeveelheid van onze varkensstapel in een Duitse schnitzel of een Germaanse worstenkraam belandt, betekent dit dat de klokken van onze Belgische varkens niks te tingeltangelen hebben en luttele dagen na de geboorte in een emmer ploffen. Aandoenlijk is dat, zo’n aker vol slijmerige, nog warme en dampende teelballen.

Ik weet niet hoe dat de Belgen vergaat, maar in Nederland werkt elke verwijzing naar ‘Das Dritte Reich’ over welke onbenulligheid dan ook als de ultieme annotatie van ‘misdaad tegen de mensheid’ èn het bewijs daarvan. Belse ballen tegenover Germaanse vraatzucht. Gaat het hier echt wel over varkens?

Het is leed, volkomen zinloos leed.

Onlangs zag ik mijn poes een kleine rat pakken. Samen met de kleinkinderen keek ik naar het tafereel. De poes had de rat beet met haar poot op zijn staart en de rat hield zich dood in de vergeefse hoop dat dat rotbeest hem met rust zou laten. Af en toe liet ze hem even los om hem daarna weer snel te pakken, lanceerde hem in de lucht en ving hem dan weer op. De notie: geen onnodig leed is niet van de poes. Mijn kleinkinderen vonden het erg zielig maar ik was op de hand van Janis en tegen de rat

Wij houden varkens om op te eten, niet voor de sex. Daar hebben wij andere kanalen voor. Van alle dieren die ik heb, vind ik naast het muildier de varkens ongetwijfeld de leuksten. Als ik ze laat lopen op het land barsten ze los in een aanstekelijke vrolijkheid. Ze rennen eerst een paar rondjes. Komen nog even langs bij mij en maken dan dat varkensgeluid, niet knorren maar meer ‘Huh’. Het geluid dat ze ook maken als ze schrikken. Maar nu lijkt het op ‘leuk, hé’. Ze rennen weer weg en gaan ergens met hun neus de grond openhalen. Af en toe wandelen ze naar de stal om te kijken of er al eten in hun trog ligt. Of om achterin een plas te doen. Komen dan weer even ‘Huh’ bij mij zeggen en gaan weer wroeten. Heb je bij honden het gevoel dat ze voortdurend bij je langskomen om hun gedienstigheid te tonen en bij katten dat ze er net in slagen te accepteren dat jij hier ook woont, bij varkens ben ik ‘Huh, het eten’ in een hartverwarmende vanzelfsprekendheid. Varkens treden je zonder omwegen tegemoet. Ze winden er geen doekjes om. ‘Huh, het eten.’ Als ik dan uiteindelijk met ze naar de slachttafel loop, denken ze vast: ‘Huh, gaan we weer smullen?’

In Nederland en niet alleen daar, zijn heel wat beesten verdwenen uit het openbare leven. Onherkenbaar en stil liggen ze in de supermarkt verpakt in cellofaan. Niet gerangschikt naar aardigheid maar naar prijs, of vetgehalte. Hoe dat daar allemaal terechtkomt, is verdwenen uit het directe bewustzijn. De dieren die overblijven, worden het sociale leven binnen getrokken waar ze in toenemende mate de plek van personen innemen. Die ze absoluut niet zijn! Honden en katten draaien mee in het huishouden. Er wordt een gelijkheid en wederkerigheid verondersteld die niet bestaat. Soms strookt dat niet met de aard van het beestje. Meer nog dan kinderen, moet een hond zijn plaats weten. In tegenstelling tot kinderen heeft hij geen uitzicht op een verandering van die situatie. Een hond die zijn plaats niet weet, introduceert in een gezin de omgangsvormen van de roedel. Het recht van de sterkste. Een hond heeft een baasje om heel andere reden dan het baasje een hond heeft.

De nog zichtbare dieren staan aan de wieg van de veranderende omgangsvormen. Die wij niet zien, doen daar niet aan mee. Zij worden door de industriële productie opgeslokt. Een paar jaar geleden die hopen dode varkens op TV. Verweesd staren mensen die in staat zijn een uitvaartmis te houden voor hun Flapje naar wat er gebeurt in de bio-industrie. Een grotere tegenstelling is niet mogelijk. Het roept afschuw op. En meer nog de idee dat we er zelf medeschuldig aan zijn. Wij zijn immers de consumenten van het daar geproduceerde vlees. Daar doe ik mooi niet aan mee!

Mijn vierjarig zoontje zei destijds: Ik eet geen vlees want het varken vindt het niet leuk geslacht te worden. Daar had hij onmiskenbaar gelijk. We hadden allemaal het varken horen gillen. Toen hij meende dat worst niet van het varken kwam (bij het worsten draaien was-ie op school) hebben we hem in die waan gelaten. Blij dat hij weer vlees at. Toen hij aan tafel beweerde dat ham ook niet van het varken kwam, hoefde ik alleen maar het hoefje te laten zien en dat was het einde van zijn vegetarische episode.

Wij houden varkens om op te eten. Zouden wij ze niet lusten, dan zouden wij geen varkens houden. Elk jaar koop ik in het vroege voorjaar twee biggen. Ik mest ze dan met ons eetafval, rauwe erwten en het valfruit van de bomen vet. We slachten ze in de winter. Zo’n negen maanden lang voer ik de varkens. Ik weid ze op ons land. En koester ze tot op de dag dat de buren en de slachter komen en we het beest veranderen in vlees. Zelfs dan blijf ik ze koesteren. Ik weet niet hoe oud een varken zou kunnen worden zonder slacht. Die twaalf jaar lijkt me best mogelijk. Maar waarom zou ik dat uitproberen? Ooit slachtten wij een zeug van twee jaar. Het vlees was smakelijk maar helaas moeilijk door te komen.

Onze beertjes zijn gecastreerd. Bij zeugjes is dat niet nodig. Het vlees van een geslachtsrijp beertje stinkt. Dat is niet alleen bij varkens het geval, maar bijvoorbeeld ook bij bokken en rammen. Houd je dergelijke beesten voor het vlees is het dus zaak ze tijdig om het leven te brengen of ze vooraf te castreren. Een big van een half jaar is bij ons nog niet voldragen. Geslachtsrijp is het zeker nog niet. Het is goed mogelijk dat de beertjes op die leeftijd nog niet stinken. Mals zal hij wel zijn, maar veel smaak zal hij nog niet hebben. Als wij ons varken zo vroeg zouden slachten zou het ook nog maar een schriel ding zijn. Dat komt vermoedelijk doordat zijn eten niet high tech gestuurd wordt.

Vlees moet steeds maar goedkoper geproduceerd. De winstmarge is het probleem. Dat gaat ten koste van de smaak. Het welzijn van een dier zou een grotere rol moeten spelen. Tevredenheid is de beste smaakmaker. Een varken van een half jaar is als een meisje van 16, wel mooi, maar wat stelt het nou eigenlijk voor? Doorleefd is beter. Levenservaring is het zout der aarde. Mals, maar toch pittig: een jaar. De G-Spot van een varken ligt ergens rond een jaar.

We houden varkens om op te eten en als we ze niet hadden gelust dan waren ze er niet geweest. Natuurlijk gedraagt een mens zich anders met een gezelschapsdier dan met een slachtdier. Je pleegt je knuffeltje niet te slachten. Met beesten die je houdt voor vlees is het andere koek. Dan heb je andere gevoelens. Dat heeft alles met gevoel, maar met rechten niets uit te staan. Als je ze allebei hebt, dieren voor vlees en dieren voor gezelschap, dan houdt zich dat wel in evenwicht. Hoe reageren mensen die alleen dieren tegenkomen als gezelschapsdier als ze toevallig stoten op een slachtdier? Hoe reageert een klein kind als hij voor het eerst een leeuw ziet?

Discussies over dieren zijn discussies tussen mensen. Geen dier doet er aan mee. Het uiteindelijk belang van zo’n discussie is ook niet per se alleen het welzijn van dieren, maar het voortbestaan onze soort: de verdediging van onze habitat, de aarde. En soms krijg je de indruk dat men dat vergeet. Meer drukte om een dode gorilla dan over vijf miljoen dode mensen in de Congo.

Ik woon op het Spaanse platteland in de bergen. En zoals op alle plattelanden wordt daar anders tegen dieren aangekeken dan in de stad. De boeren veronderstellen hier dat er in het verleden ooit een oorlog was tussen dier en mens. En de mens heeft gewonnen. Maar dat wil absoluut niet zeggen dat dat niet omkeerbaar is. Naast de vos loert je eigen hond ook op de kippen. Een zeker wantrouwen is op zijn plaats.

Vorig jaar kreeg Varkens in Nood de steun van Yvonne Krooneburg met haar snoezige knorretjes. Dit jaar krijgen we de krachtige taal met en over kloten van Dimitri op ons bordje. Gecastreerd is hij niet. Dat hoeft ook niet. We eten hem niet op. We lezen hem… en met veel plezier

Berend Vroom, schrijver van ‘Fadoek, Willie, Bep en andere dierenverhalen uit Andalusië’, uitgeverij Parterre

woensdag, maart 3rd, 2010

Dibujo

Woensdagnacht de 23ste december…

dinsdag, december 29th, 2009

rivier

Woensdagnacht de 23ste december werd ik wakker midden in de nacht. Het zal een uur of drie geweest zijn. Een enorm gebulder had mij uit mijn slaap gehaald, de rivier. Wij wonen zo’n vijftig meter boven het dal. De rivier stroomt vlak onder de berg waar ons huis op staat. Bij regen en dan vooral veel regen is dat een bron van aanhoudende zorg.

Het had veel geregend. En dat deed het nog steeds. In het donker zocht ik het knopje van mijn leeslampje. Deed het niet. Slaapdronken zocht ik de weg naar de stoppenkast.  Eerst de stoel van de computer ontwijken, dan de knop van de deur zoeken. Voorzichtig de trap op en dan links aanhouden. De aardlekschakelaar was gesprongen. Ik duwde hem omhoog maar dat had niet het gewenste effect. Op de tast weer naar beneden. Zaklamp. Het gebulder hield aan. Buiten kon je ook niets zien; het was zwaar bewolkt. De regen kwam met bakken naar beneden. De zaklamp lag in de keuken en bij ons moet je buitenom naar de keuken. Druipend en naakt kwam ik daar aan. De zaklamp lag op zijn plek. Ik scheen de nacht in en zag een olijfboom op zo’n tien meter van mij af. Daar was de rivier in ieder geval nog niet. Toch niet echt gerustgesteld besloot ik mijn kleren te zoeken en wat verder van het huis te gaan kijken hoe bedreigend dit nog steeds aanhoudende gebulder nu eigenlijk was. Ik nam de auto en reed een kilometer verder naar een punt waarvan ik wist dat je de rivier goed kon zien. Her en der lagen stenen op de weg waar ik omheen moest rijden. Aangekomen op mijn plek bleek dat mijn zaklamp ook daar slechts een bereik had van tien meter. Het gebulder was nu oorverdovend. Beneden waar de rivier ons dal binnen komt donderen zag ik een dwaallichtje, net zo’n lampje als ik had. Ik knipperde in zijn richting. Het lampje knipperde terug: ik was niet alleen.

In de verte op de weg zag ik de koplichten van een auto naderen. Mensen van de electriciteitsmaatschappij. ‘Het regent’ stelde de bijrijder vast. Ik bevestigde hem. ‘De stroom is uitgevallen’. ‘Ja, daarom zijn we hier.’ De auto reed weg en ik ging ook maar weer naar huis. Voorzichtig koersend langs al die stenen en met schrik in het hart voor wat nu zou kunnen komen aanrollen. Er lagen er meer dan net.

Ik kwam ongedeerd thuis aan. Wat nu? Weer gaan slapen? Ik dacht van niet. Ik zocht een kaars en de fles Anis, een glaasje. Ik zette een stoel op de tinao (overdekt terras) schonk mezelf een glaasje in en keek de duisternis in waar ik nu door het schijnsel van het kaarsje nog minder zag dan niks en luisterde bezorgd naar het enorme gedonder en het vallen van de regen. Die was voorlopig niet van plan op te houden. Daar op mijn stoel kon ik het geraas van de rivier ontleden. Ik hoorde het geklots van de enorme stukken rots die de rivier had losgemaakt en nu meesleepte. Het geloei van het water en ik rook de lucht van ingestorte natte aarde.

Ik wilde dat het morgen was en ik kon zien wat er aan het gebeuren was. Na twee glaasjes Anis was ik rijp voor het bed.