
Woensdagnacht de 23ste december werd ik wakker midden in de nacht. Het zal een uur of drie geweest zijn. Een enorm gebulder had mij uit mijn slaap gehaald, de rivier. Wij wonen zo’n vijftig meter boven het dal. De rivier stroomt vlak onder de berg waar ons huis op staat. Bij regen en dan vooral veel regen is dat een bron van aanhoudende zorg.
Het had veel geregend. En dat deed het nog steeds. In het donker zocht ik het knopje van mijn leeslampje. Deed het niet. Slaapdronken zocht ik de weg naar de stoppenkast. Eerst de stoel van de computer ontwijken, dan de knop van de deur zoeken. Voorzichtig de trap op en dan links aanhouden. De aardlekschakelaar was gesprongen. Ik duwde hem omhoog maar dat had niet het gewenste effect. Op de tast weer naar beneden. Zaklamp. Het gebulder hield aan. Buiten kon je ook niets zien; het was zwaar bewolkt. De regen kwam met bakken naar beneden. De zaklamp lag in de keuken en bij ons moet je buitenom naar de keuken. Druipend en naakt kwam ik daar aan. De zaklamp lag op zijn plek. Ik scheen de nacht in en zag een olijfboom op zo’n tien meter van mij af. Daar was de rivier in ieder geval nog niet. Toch niet echt gerustgesteld besloot ik mijn kleren te zoeken en wat verder van het huis te gaan kijken hoe bedreigend dit nog steeds aanhoudende gebulder nu eigenlijk was. Ik nam de auto en reed een kilometer verder naar een punt waarvan ik wist dat je de rivier goed kon zien. Her en der lagen stenen op de weg waar ik omheen moest rijden. Aangekomen op mijn plek bleek dat mijn zaklamp ook daar slechts een bereik had van tien meter. Het gebulder was nu oorverdovend. Beneden waar de rivier ons dal binnen komt donderen zag ik een dwaallichtje, net zo’n lampje als ik had. Ik knipperde in zijn richting. Het lampje knipperde terug: ik was niet alleen.
In de verte op de weg zag ik de koplichten van een auto naderen. Mensen van de electriciteitsmaatschappij. ‘Het regent’ stelde de bijrijder vast. Ik bevestigde hem. ‘De stroom is uitgevallen’. ‘Ja, daarom zijn we hier.’ De auto reed weg en ik ging ook maar weer naar huis. Voorzichtig koersend langs al die stenen en met schrik in het hart voor wat nu zou kunnen komen aanrollen. Er lagen er meer dan net.
Ik kwam ongedeerd thuis aan. Wat nu? Weer gaan slapen? Ik dacht van niet. Ik zocht een kaars en de fles Anis, een glaasje. Ik zette een stoel op de tinao (overdekt terras) schonk mezelf een glaasje in en keek de duisternis in waar ik nu door het schijnsel van het kaarsje nog minder zag dan niks en luisterde bezorgd naar het enorme gedonder en het vallen van de regen. Die was voorlopig niet van plan op te houden. Daar op mijn stoel kon ik het geraas van de rivier ontleden. Ik hoorde het geklots van de enorme stukken rots die de rivier had losgemaakt en nu meesleepte. Het geloei van het water en ik rook de lucht van ingestorte natte aarde.
Ik wilde dat het morgen was en ik kon zien wat er aan het gebeuren was. Na twee glaasjes Anis was ik rijp voor het bed.