
De dokter opperde dat het in dat geval maar het beste was dat we naar binnen gingen.
Duidelijk opgelucht dat de klus al geklaard was, putte de dokter zich uit in loftuitingen over hoe de vroedvrouw haar werk had gedaan en controleerde of alles verder in orde was, Isabel en de baby. Toen hij klaar was, had hij haast om weg te komen. Ik deed hem uitgeleide, bedankte hem voor zijn komst en liep terug langs het pad naar beneden naar ons huis. Halverwege ging ik op de grond zitten om bij te komen van alle gebeurtenissen en bleef kijken in het duister landschap. Ik keek neer op ons huis en zag in het schijnsel van de maan het dal liggen waar wij woonden, de bergen, de in de maneschijn oplichtende rivier, de bomen, de maan zelf, en alles was stil. Er leek niets veranderd te zijn, alles was hetzelfde. Roos was de eerste van onze kinderen die thuis werd geboren. Er was niks veranderd en er was alles veranderd: er waren twee mensenogen bijgekomen om dit wat ik zag te zien en te beseffen. Er was een landschap bijgekomen, een heel landschap. Dit was Roos’ thuis geworden. Ik stond op en ging mijn nieuwe dochter vasthouden. Samen met Isabel.