De eerste die doorhad dat we geen hond meer hadden was de vos. Toen ik ’s avonds het kippenhok wilde dichtdoen, merkte ik dat ik geen kip meer zag. De volgende dagen kwam ik ze allemaal tegen als hoopjes veren in de boomgaard. De vos was ons dankbaar. Zo dankbaar dat hij op een avond voor ons terras kwam zitten. Of we nog meer kip hadden. Verrast joeg ik het beest weg, maar hij wist van geen ophouden. Slechts goed gemikte stenen hielden hem op een afstand.
